Legt de Hoge Raad een bom onder het werk van zzp’ers?

Blog

Published 17 november 2020 Reading time min Auteur Liset­te Hes­se­link Labor & Employment

Op vrij­dag 6 novem­ber 2020 heeft de Hoge Raad geoor­deeld dat de bedoe­ling van par­tij­en bij het slui­ten van een over­een­komst niet lan­ger rele­vant is voor de kwa­li­fi­ca­tie van de tus­sen hen bestaan­de rechts­ver­hou­ding. Dit arrest leid­de direct tot veel tumult onder arbeids­recht­spe­ci­a­lis­ten. In de pers ver­sche­nen arti­ke­len dat de Hoge Raad hier­mee een bom zou heb­ben gelegd onder het werk van zzp’ers. Zijn de onrust en deze kran­ten­kop­pen terecht?

Hoe zat het ook alweer: Groen/Schoevers

In 1997 wees de Hoge Raad een belang­rijk arrest over de kwa­li­fi­ca­tie van een rechts­ver­hou­ding tus­sen par­tij­en, name­lijk het arrest Groen/Schoevers. In die kwes­tie ging het om een belas­ting­ad­vi­seur met een eigen com­man­di­tai­re ven­noot­schap. Op basis van een mon­de­lin­ge over­een­komst ver­richt­te hij als docent werk­zaam­he­den voor een onder­wijs­in­sti­tuut. De belas­ting­ad­vi­seur stuur­de maan­de­lijks fac­tu­ren van­uit zijn ven­noot­schap, waar­op ook BTW in reke­ning werd gebracht. Het onder­wijs­in­sti­tuut zeg­de de over­een­komst met de docent op. Ver­vol­gens stel­de de docent stel­de zich op het stand­punt dat de over­een­komst niet zomaar rechts­gel­dig kon wor­den opge­zegd. De docent stel­de dat spra­ke zou zijn van een arbeids­over­een­komst.

De Hoge Raad oor­deel­de ver­vol­gens dat bij de kwa­li­fi­ca­tie van een rechts­ver­hou­ding (in deze zaak of spra­ke was van een arbeids­over­een­komst of een over­een­komst van opdracht) de bedoe­ling van par­tij­en bij het slui­ten van de over­een­komst rele­vant is, maar daar­naast is het ook van belang hoe par­tij­en fei­te­lijk aan de over­een­komst uit­voe­ring heb­ben gege­ven.

 

Arrest 6 november 2020

In deze zaak ging het om een vrouw die in het kader van een par­ti­ci­pa­tie­pro­ject twee keer zes maan­den als ser­vi­ce­deskme­de­wer­ker werk­zaam is geweest bij de gemeen­te Amster­dam. Zij ont­ving hier­voor geen loon van­we­ge het par­ti­ci­pa­tie­tra­ject, maar enkel een pre­mie van € 231,20 per peri­o­de van zes maan­den voor het vol­doen­de mee­wer­ken aan het tra­ject. Zij stel­de zich op het stand­punt dat zij dezelf­de werk­zaam­he­den uit­voer­de als (betaal­de) ser­vi­ce­deskme­de­wer­kers en meen­de daar­om dat er spra­ke was geweest van een arbeids­over­een­komst. Als gevolg daar­van claim­de zij ach­ter­stal­lig loon over de gewerk­te uren.

 

De Hoge Raad oor­deel­de:

“(…) Art. 7:610 BW omschrijft de arbeids­over­een­komst als de over­een­komst waar­bij de ene par­tij, de werk­ne­mer, zich ver­bindt in dienst van de ande­re par­tij, de werk­ge­ver, tegen loon gedu­ren­de zeke­re tijd arbeid te ver­rich­ten. Indien de inhoud van een over­een­komst vol­doet aan deze omschrij­ving, moet de over­een­komst wor­den aan­ge­merkt als een arbeids­over­een­komst. Niet van belang is of par­tij­en ook daad­wer­ke­lijk de bedoe­ling had­den de over­een­komst onder de wet­te­lij­ke rege­ling van de arbeids­over­een­komst te laten val­len. Waar het om gaat, is of de over­een­ge­ko­men rech­ten en ver­plich­tin­gen vol­doen aan de wet­te­lij­ke omschrij­ving van de arbeids­over­een­komst. Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afge­leid, speelt de bedoe­ling van par­tij­en dus geen rol bij de bij de vraag of de over­een­komst moet wor­den aan­ge­merkt als een arbeids­over­een­komst (…)”

De hier­voor (…) bedoel­de kwa­li­fi­ca­tie van een over­een­komst moet wor­den onder­schei­den van de – daar­aan voor­af­gaan­de – vraag wel­ke rech­ten en ver­plich­tin­gen par­tij­en zijn over­een­ge­ko­men. Die vraag dient te wor­den beant­woord aan de hand van de Haviltex­maat­staf. Nadat de rech­ter met behulp van die maat­staf de over­een­ge­ko­men rech­ten en ver­plich­tin­gen heeft vast­ge­steld (uit­leg), kan hij beoor­de­len of die over­een­komst de ken­mer­ken heeft van een arbeids­over­een­komst (…).

 

De Hoge Raad con­clu­deer­de in deze casus ove­ri­gens dat er geen spra­ke was van een arbeids­over­een­komst aan­ge­zien de sti­mu­le­rings­pre­mie niet kon wor­den gekwa­li­fi­ceerd als loon in de zin van arti­kel 7:610 BW.

 

Gevolgen voor de praktijk

De par­tij­be­doe­ling is dus niet lan­ger rele­vant bij de beoor­de­ling of spra­ke is van een arbeids­over­een­komst. Eerst moet wor­den geke­ken wel­ke rech­ten en ver­plich­tin­gen par­tij­en zijn over­een­ge­ko­men. Deze vraag moet wor­den beant­woord aan de hand van de zoge­noem­de Haviltex­maat­staf. Dit houdt in dat niet enkel geke­ken wordt naar de (let­ter­lij­ke) tekst van de over­een­komst, maar ook naar de bete­ke­nis die par­tij­en aan (de tekst van) de over­een­komst mogen toe­ken­nen. Hier­bij zijn de omstan­dig­he­den van het geval en het­geen par­tij­en over en weer van elkaar moch­ten ver­wach­ten van belang. Hier­na moet (uit­slui­tend) wor­den geke­ken of de over­een­ge­ko­men rech­ten en ver­plich­tin­gen vol­doen aan de wet­te­lij­ke ver­eis­ten voor een arbeids­over­een­komst, name­lijk loon, arbeid en gezag. Hier­mee haalt de Hoge Raad dus een streep door de ont­sta­ne situ­a­tie na Groen/Schoevers.

De vraag is wat de impact van dit arrest op de inzet van zzp’ers zal zijn. Een voor­zich­ti­ge inschat­ting is dat er moge­lijk snel­ler spra­ke zal kun­nen zijn van een arbeids­over­een­komst, ondanks dat par­tij­en (schrif­te­lijk) een over­een­komst van opdracht zijn over­een­ge­ko­men. Nu de par­tij­be­doe­ling niet lan­ger een tegen­ge­wicht biedt, zal immers extra kri­tisch wor­den geke­ken naar de fei­te­lij­ke uit­voe­ring door par­tij­en. Of dit daad­wer­ke­lijk een bom legt onder de werk­zaam­he­den van zzp’ers, zoals werd gesug­ge­reerd in de kran­ten­kop­pen zal de prak­tijk moe­ten uit­wij­zen.

 

Conclusie

Bij de kwa­li­fi­ca­tie van een over­een­komst is niet lan­ger van belang wat par­tij­en bedoeld heb­ben bij het aan­gaan daar­van, maar dient met name te wor­den geke­ken naar de fei­te­lij­ke invul­ling van de over­een­komst door par­tij­en. Als hier­uit blijkt dat er vol­daan wordt aan de ver­eis­ten loon, arbeid en gezag is er al snel spra­ke van een arbeids­over­een­komst. De par­tij­be­doe­ling kan nog wel een rol spe­len via de Haviltex­maat­staf, maar de vraag is hoe groot die rol is.

Het wordt in elk geval nog belang­rij­ker om de rech­ten en ver­plich­tin­gen in de over­een­komst (van opdracht) zoda­nig vast te leg­gen, dat hier­uit blijkt dat geen spra­ke is van gezag.

Wij hel­pen u graag hier­bij.