Blog
In meerdere blogs is het afgelopen jaar door ons aandacht besteed aan de wet VBAR en de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie rondom het ZZP-dossier. Met de verkiezingen is het wetgevingstraject drastisch gewijzigd.
Op 16 juni 2026 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wet invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemer (en een omkering van de bewijslast voor opdrachtgevers) bij een laag uurtarief. Het doel van deze maatregel is om laagbetaalde zzp’ers, vaak kwetsbare werkenden, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.
Het wetsvoorstel was onderdeel van het oorspronkelijke wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (de wet Vbar). Bij nota van wijziging is het oorspronkelijke voorstel gewijzigd, waardoor het huidige voorstel enkel nog het rechtsvermoeden bevat. Het wetsvoorstel bevat dus geen inhoudelijke verduidelijking van het onderscheid werknemer/zzp’er of codificatie van het getalscriterium. Van de oorspronkelijke insteek van de wet Vbar blijft dus weinig meer over. De versnelde behandeling van dit wetsvoorstel hangt samen met Europese afspraken in het kader van het Herstel- en veerkrachtplan (HVP). De inwerkingtreding staat voor nu nog op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, maar de verwachting is dat dit wetsvoorstel nog dit jaar in werking zal treden. Dit hangt samen met een relevante mijlpaal uit het HVP.
De introductie van het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) makkelijker om bij gewijzigde omstandigheden een arbeidsrelatie op te eisen bij de opdrachtgever. Tegelijk wordt met het tarief beoogd dat de inzet van laagbetaalde (en daarmee kwetsbare) zelfstandigen minder aantrekkelijk wordt voor opdrachtgevers en wordt teruggedrongen. Samen met de tevens beoogde invoering van de Wet Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) wordt ingezet om een race naar de bodem te voorkomen en zelfstandigen tegelijk ook rechtszekerheid te laten opbouwen.
Als partijen een lager uurtarief hanteren en zzp’ers een beroep doen op het weerlegbare rechtsvermoeden, dan zal de betreffende opdrachtgever moeten kunnen aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan zal de arbeidsrelatie in de praktijk veelal als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt en is sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er aanspraak op de bescherming die hoort bij een arbeidsovereenkomst, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming. Let op; dit deze wet geeft geen omkering van de bewijslast voor zzp relaties waarbij een hoger uurtarief dan € 38 per uur wordt gehanteerd, voor die situaties geldt nog steeds de gebruikelijke bewijslastverdeling en de uitgangspunten zoals deze in de jurisprudentie zijn ontwikkeld voor de kwalificatie van arbeidsrelaties.
De inhoudelijke verduidelijking van de arbeidsrelatie en daarmee de incorporatie van belangrijke uitgangspunten uit de jurisprudentie, zoals Deliveroo, Uber, Temper en Helpling, wordt doorgeschoven naar een afzonderlijk wetsvoorstel: de Zelfstandigenwet. De kern van deze wet is dat er een wettelijk toetsingskader komt voor de vraag wanneer een werkende als werknemer of zelfstandige kan worden aangemerkt. Sectorale omstandigheden kunnen daarbij ook een rol spelen. Een toetsingscommissie die arbeidsrelaties op verzoek beoordeelt, maakt onderdeel uit van dat traject. Met het wetsvoorstel wordt beoogd uiteindelijk meer rechtszekerheid te creëren voor partijen die de arbeidsrelatie thans niet vanuit een eenduidig perspectief kunnen beoordelen. Deze wet laat echter naar verwachting nog wel even op zicht wachten.
Tot die tijd zal de beoordeling van arbeidsrelaties immers in belangrijke mate casuïstisch blijven en afhankelijk zijn van de uitgangspunten zoals deze in die jurisprudentie zijn ontwikkeld. Het verdient dan ook aandacht om de flexibele schil en de inzet van zzp-relaties te blijven beoordelen aan de hand van die uitgangspunten. In de samenwerking met EY beoordelen wij voor onze cliënten met regelmaat vraagstukken rondom de inzet van zzp als onderdeel van de flexibele schil. Daarbij is zowel aandacht voor de arbeidsrechtelijke als de fiscale uitgangspunten. Voor eventuele vragen rondom de inzet van zelfstandigen kunt u uiteraard bij een van onze specialisten terecht.