Een nieu­we Euro­pe­se stan­daard voor het insol­ven­tie­recht: wat ver­an­dert er in de prak­tijk?

Blog

Published 17 juni 2026 Reading time min Auteur Karel Loh­mei­er Insolvency & Restructuring

Het Euro­pe­se insol­ven­tie­recht is vol­op in bewe­ging. Na de Her­struc­tu­re­rings­richt­lijn uit 2019, op basis waar­van de WHOA in Neder­land werd inge­voerd, zet de EU met Richt­lijn (EU) 2026/799 een vol­gen­de stap rich­ting har­mo­ni­sa­tie. De richt­lijn stelt gemeen­schap­pe­lij­ke mini­mum­re­gels vast op zes ter­rei­nen: de plicht van bestuur­ders om bij insol­ven­tie een ver­zoek tot ope­ning van een insol­ven­tie­pro­ce­du­re in te die­nen, pre-pack­pro­ce­du­res, vor­de­rin­gen tot nie­tig­ver­kla­ring, opspo­ring van acti­va die tot een insol­ven­te boe­del beho­ren, schuld­ei­sers­co­mi­tés en bla­den met essen­ti­ë­le infor­ma­tie. De gevol­gen voor Neder­land zijn aan­zien­lijk: de Fail­lis­se­ments­wet zal op meer­de­re pun­ten fun­da­men­teel moe­ten wor­den her­zien. Het gaat om mini­mum­har­mo­ni­sa­tie — lid­sta­ten mogen stren­ge­re regels hand­ha­ven of invoe­ren — maar de begrip­pen ‘insol­ven­tie’ en ‘bestuur­der’ wor­den uit­druk­ke­lijk door het nati­o­na­le recht bepaald. De imple­men­ta­tie­ter­mijn ver­strijkt op 22 janu­a­ri 2029.

 

Bestuur­ders: tij­dig han­de­len is voort­aan ver­plicht

Een van de meest ingrij­pen­de nieu­wig­he­den wordt de plicht voor bestuur­ders om bij insol­ven­tie bin­nen drie maan­den zelf fail­lis­se­ment aan te vra­gen. Bij de imple­men­ta­tie dient de Neder­land­se wet­ge­ver het begrip “insol­ven­tie” nader in te vul­len en zij kan ook kie­zen voor een kor­te­re ter­mijn. Een te late indie­ning kan lei­den tot lage­re recu­pe­ra­tie­waar­den voor de geza­men­lij­ke schuld­ei­sers, en voor die ver­slech­te­ring kan het bestuur per­soon­lijk aan­spra­ke­lijk wor­den gesteld. Neder­land kent momen­teel geen wet­te­lij­ke aan­mel­dings­plicht in deze zin, waar­door de invoe­ring ervan een wezen­lij­ke breuk met het bestaan­de regime bete­kent.

De plicht kent eni­ge flexi­bi­li­teit. Zij kan wor­den geschorst indien de bestuur­ders maat­re­ge­len nemen die bedoeld zijn om scha­de aan de schuld­ei­sers te voor­ko­men en die een gelijk­waar­dig bescher­mings­ni­veau voor de geza­men­lij­ke schuld­ei­sers waar­bor­gen. Denk hier­bij aan een sol­va­bi­li­teits­her­stel­plan van aan­deel­hou­ders. Wie van die schor­sings­mo­ge­lijk­heid gebruik­maakt en het uit­ein­de­lijk toch mis­gaat, blijft aan­spra­ke­lijk voor de scha­de die bij tij­di­ge indie­ning niet zou zijn ont­staan. Een dis­culpa­tie­mo­ge­lijk­heid bestaat voor bestuur­ders die kun­nen aan­to­nen dat hun aan­pak rede­lij­ker­wijs een gelijk­waar­dig of beter resul­taat voor de geza­men­lij­ke schuld­ei­sers zou ople­ve­ren.

 

De pre-pack­pro­ce­du­re: van prak­tijk­in­stru­ment naar wet­te­lijk kader

De pre-pack­pro­ce­du­re — waar­bij voor­af­gaand aan de for­me­le insol­ven­tie­pro­ce­du­re in ver­trou­we­lijk­heid een koper wordt gezocht — mist in Neder­land een wet­te­lij­ke basis. Na o.a. het Hei­ploeg-arrest van het Hof van Jus­ti­tie EU bleek die basis onmis­baar, met name voor de werk­ne­mers­rech­te­lij­ke posi­tie bij een door­start. De richt­lijn biedt nu het ver­eis­te kader: de ver­ef­fe­nings­fa­se wordt beschouwd als een fail­lis­se­ments­pro­ce­du­re, zodat de werk­ne­mers niet auto­ma­tisch in dienst komen van de koper bij een pre-pack ver­koop van­uit fail­lis­se­ment.

Lid­sta­ten zijn ver­plicht een twee­fa­si­ge pre-pack­pro­ce­du­re in te voe­ren: een ver­trou­we­lij­ke voor­be­rei­dings­fa­se en een ver­ef­fe­nings­fa­se. In de voor­be­rei­dings­fa­se zor­gen de ven­noot­schap en een onaf­han­ke­lij­ke toe­zicht­hou­der (ver­ge­lijk­baar met de beoogd cura­tor in de hui­di­ge prak­tijk) samen voor een con­cur­re­rend, trans­pa­rant, eer­lijk en markt­con­form ver­koop­pro­ces. De ven­noot­schap behoudt daar­bij gro­ten­deels haar beheer­be­voegd­heid, maar han­delt onder toe­zicht van de toe­zicht­hou­der. Bij de ope­ning van de ver­ef­fe­nings­fa­se ver­leent de recht­bank of de bevoeg­de auto­ri­teit toe­stem­ming voor de ver­koop op voor­dracht van de toe­zicht­hou­der, via een open­ba­re vei­ling of na goed­keu­ring door de schuld­ei­sers. De cen­tra­le maat­staf is de toets van het belang van de schuld­ei­sers: geen enke­le schuld­ei­ser mag bij de pre-pack­pro­ce­du­re slech­ter af zijn dan bij een ver­ef­fe­ning­bui­ten dat kader.

Voor over­ne­mers biedt het kader dui­de­lij­ke voor­de­len. De over­ne­mer neemt de onder­ne­ming vrij van schul­den over, ten­zij deze uit­druk­ke­lijk instemt met het over­ne­men daar­van. Nog uit te voe­ren over­een­kom­sten die nodig zijn voor de voort­zet­ting van de bedrijfs­ac­ti­vi­teit, wor­den aan de over­ne­mer over­ge­dra­gen zon­der toe­stem­ming van de tegen­par­tij — ten­zij de over­ne­mer een con­cur­rent van die tegen­par­tij is. Tus­sen­tijd­se finan­cie­ring wordt beschermd tegen vor­de­rin­gen tot nie­tig­ver­kla­ring. Nauw met de schul­de­naar ver­bon­den par­tij­en komen in aan­mer­king als over­ne­mer, maar uit­slui­tend onder ver­scherpt toe­zicht: zij moe­ten hun rela­tie mel­den in het bod. Ver­zui­men zij dat, dan kan het gerecht of de bevoeg­de auto­ri­teit de voor­de­len van de schul­den­vrije over­dracht intrek­ken.

 

Vor­de­rin­gen tot nie­tig­ver­kla­ring: dui­de­lij­ke ter­mij­nen ver­van­gen de open norm

De fail­lis­se­ments­pau­li­a­na — in de richt­lijn aan­ge­duid als ‘vor­de­rin­gen tot nie­tig­ver­kla­ring’ — wordt ingrij­pend her­zien. Waar het hui­di­ge Neder­land­se recht geen vas­te ver­dach­te peri­o­den kent en bewijs­voe­ring rond weten­schap van bena­de­ling com­plex is, intro­du­ceert de richt­lijn hel­de­re terug­kijk­pe­ri­o­den.

De richt­lijn onder­scheidt drie cate­go­rie­ën.

1. Begun­sti­ging bin­nen drie maan­den van het fail­lis­se­ments­ver­zoek

Als (i) de schul­de­naar niet bij mach­te is zijn schul­den te vol­doen, en (ii) onver­plicht (iii) bin­nen drie maan­den voor het fail­lis­se­ments­ver­zoek een indi­vi­du­e­le schuld­ei­ser vol­doet of zeker­heid stelt, dan kan deze trans­ac­tie wor­den aan­ge­tast. Bij ver­plich­te vol­doe­ning van de schuld, dus op een wij­ze zoals is afge­spro­ken, dan geldt als aan­vul­len­de eis (iv) dat de schuld­ei­ser wist dat de schul­de­naar insol­vent was.

2. Trans­ac­ties zon­der of met een te lage tegen­pres­ta­tie

Voor rechts­han­de­lin­gen zon­der ver­goe­ding of in ruil voor een ken­ne­lijk ontoe­rei­ken­de ver­goe­ding geldt een ver­dach­te peri­o­de van twaalf maan­den, zon­der ken­nis­eis.

3. Opzet­te­lij­ke bena­de­ling

Bij rechts­han­de­lin­gen waar­door de schul­de­naar de geza­men­lij­ke schuld­ei­sers opzet­te­lijk heeft bena­deeld, loopt de ter­mijn op tot twee jaar, waar­bij zowel de opzet van de schul­de­naar als de weten­schap van de weder­par­tij moe­ten wor­den aan­ge­toond.  Het gaat hier­bij om weten­schap van de bedoe­ling tot bena­de­ling van de schul­de­naar – niet lou­ter om weten­schap van beta­lings­pro­ble­men.

Bij par­tij­en die nauw ver­bon­den zijn met de schul­de­naar wordt de ver­eis­te weten­schap ver­moed. Dat ver­moe­den is weer­leg­baar.

Een geslaag­de pau­li­ana­vor­de­ring ver­plicht de begun­stig­de par­tij de wer­ke­lijk ver­kre­gen voor­de­len terug te geven of het gel­de­lij­ke equi­va­lent te beta­len. De cura­tor heeft daar­voor maxi­maal drie jaar na ope­ning van de insol­ven­tie­pro­ce­du­re de tijd.

 

Insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen: bre­de­re opspo­rings­mo­ge­lijk­he­den naar acti­va

De richt­lijn ver­sterkt de posi­tie van insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen bij het opspo­ren van acti­va die tot de insol­ven­te boe­del beho­ren of die het voor­werp uit­ma­ken van een vor­de­ring tot nie­tig­ver­kla­ring.

Op ver­zoek van de insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris zijn recht­ban­ken of auto­ri­tei­ten bevoegd om recht­streeks en onmid­del­lijk toe­gang te krij­gen tot bank­re­ke­ning­in­for­ma­tie — nati­o­naal en, via het Euro­pe­se kop­pe­lings­sys­teem BARIS, ook grens­over­schrij­dend — mits de infor­ma­tie nood­za­ke­lijk is voor de iden­ti­fi­ca­tie en opspo­ring van acti­va die tot de fail­lie­te boe­del beho­ren of voor­werp zijn van een pau­li­ana­vor­de­ring. Nadat is geve­ri­fi­eerd dat aan die voor­waar­den is vol­daan, geven de aan­ge­we­zen gerech­ten of auto­ri­tei­ten de ver­kre­gen infor­ma­tie door aan de insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris die daar­om heeft ver­zocht.

Insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen ver­krij­gen tij­di­ge toe­gang tot de cen­tra­le UBO-regis­ters, zon­der dat de betrok­ken enti­teit of uit­ein­de­lij­ke begun­stig­de wordt gewaar­schuwd. Daar­naast wor­den insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen recht­streek­se en snel­le toe­gang gega­ran­deerd tot nati­o­na­le regis­ters en data­ban­ken, zoals kadas­tra­le regis­ters en intel­lec­tu­e­le-eigen­doms­re­gis­ters, zon­der tus­sen­komst van een gerecht of auto­ri­teit als tus­sen­per­soon. In een ande­re lid­staat aan­ge­stel­de insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen mogen daar­bij niet aan min­der gun­sti­ge voor­waar­den wor­den onder­wor­pen dan bin­nen­land­se.

 

Schuld­ei­sers­co­mi­tés en het blad met essen­ti­ë­le infor­ma­tie

De richt­lijn ver­plicht lid­sta­ten de oprich­ting van een schuld­ei­sers­co­mi­té moge­lijk te maken na ope­ning van een insol­ven­tie­pro­ce­du­re, op ver­zoek van de schuld­ei­sers­ver­ga­de­ring of van indi­vi­du­e­le schuld­ei­sers. Het schuld­ei­sers­co­mi­té ver­te­gen­woor­digt de belan­gen van de geza­men­lij­ke schuld­ei­sers en heeft het recht de insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris te horen en door hem te wor­den gehoord over belang­rij­ke beslui­ten, het recht om in de pro­ce­du­re te wor­den gehoord, en het recht om infor­ma­tie te vra­gen en te ont­van­gen. Leden zijn in begin­sel gevrij­waard van per­soon­lij­ke aan­spra­ke­lijk­heid, ten­zij spra­ke is van opzet of gro­ve nala­tig­heid.

Aan­vul­lend ver­plicht de richt­lijn elke lid­staat tot het opstel­len van een blad met essen­ti­ë­le infor­ma­tie: een beknopt, nauw­keu­rig, dui­de­lijk en niet-tech­nisch over­zicht van de voor­waar­den voor ope­ning van een insol­ven­tie­pro­ce­du­re, de regels voor indie­ning, veri­fi­ca­tie en toe­la­ting van vor­de­rin­gen, de rang­or­de en ver­de­ling van de opbrengst, en de gemid­del­de duur van pro­ce­du­res. Dit blad wordt beschik­baar gesteld via het Euro­pees e-jus­ti­tie­por­taal. Voor schuld­ei­sers met grens­over­schrij­den­de vor­de­rin­gen en voor inves­teer­ders die het risi­co van een bui­ten­land­se insol­ven­tie­pro­ce­du­re wil­len inschat­ten, is dit een wel­ko­me ver­be­te­ring van de trans­pa­ran­tie.

 

Hoe ver­der?

De imple­men­ta­tie­ter­mijn ver­strijkt op 22 janu­a­ri 2029, met een late­re datum van 10 juli 2029 voor de bepa­lin­gen over grens­over­schrij­den­de toe­gang tot bank­re­ke­ning­in­for­ma­tie via BARIS. De nieu­we regels inza­ke vor­de­rin­gen tot nie­tig­ver­kla­ring gel­den uit­slui­tend voor rechts­han­de­lin­gen ver­richt na de omzet­tings­da­tum — er is geen terug­wer­ken­de kracht. De Neder­land­se wet­ge­ver zal de komen­de jaren een imple­men­ta­tie­wet moe­ten opstel­len. Via een publie­ke con­sul­ta­tie krij­gen belang­heb­ben­den de gele­gen­heid input te leve­ren. Voor bestuur­ders, insol­ven­tie­func­ti­o­na­ris­sen, schuld­ei­sers en ande­re betrok­ken par­tij­en is het raad­zaam de ont­wik­ke­lin­gen te blij­ven vol­gen en te bezien wel­ke gevol­gen de nieu­we regels voor hun posi­tie heb­ben.

 

Heeft u vra­gen over dit onder­werp? Neem con­tact op met Karel Lohmeier.

Lees hier meer over wat ons team voor u kan bete­ke­nen.