Ver­re­ke­nings­ver­bod voor ban­ken in fail­lis­se­ment: geen ruim­te voor de sal­de­rings­leer

Blog

Published 1 april 2026 Reading time min Auteur Karel Loh­mei­er Insolvency & Restructuring

Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad een belang­rijk arrest gewe­zen over de reik­wijd­te van het ver­re­ke­nings­ver­bod van art. 54 lid 1 Fw voor ban­ken in het gira­le beta­lings­ver­keer.[1] Cen­traal staat de vraag of het ver­re­ke­nings­ver­bod van art. 54 Fw dat geldt voor een bank bij een inko­men­de beta­ling op de reke­ning van een reke­ning­hou­der na het moment dat die bank weet of behoort te weten dat het fail­lis­se­ment van de reke­ning­hou­der is te ver­wach­ten (en de bank daar­door niet meer te goe­der trouw is in de zin van art. 54 Fw) (het peil­mo­ment), ook geldt voor zover (de kre­diet­ruim­te die is ont­staan door) de bin­nen­ge­ko­men beta­ling daar­na is gebruikt voor uit­gaan­de beta­lin­gen die de reke­ning­hou­der heeft ver­richt via die reke­ning.

Fei­ten en ach­ter­grond

Een ven­noot­schap die een café-res­tau­rant exploi­teer­de, hield een bank­re­ke­ning aan bij Rabo­bank met een kre­diet­fa­ci­li­teit. Tus­sen par­tij­en bestond een reke­ning-cou­rant­ver­hou­ding in de zin van art. 6:140 BW. Tij­dens de corona­cri­sis ont­ving de ven­noot­schap een NOW-sub­si­die die op de bank­re­ke­ning werd bij­ge­schre­ven ter­wijl er spra­ke was van een nega­tief sal­do. Door deze bij­schrij­ving ont­stond kre­diet­ruim­te op de reke­ning, waar­uit de bank ver­vol­gens een beta­lings­op­dracht van de ven­noot­schap aan een cre­di­teur uit­voer­de. Daar­door liep het debet­sal­do weer op. Kort daar­na werd het fail­lis­se­ment uit­ge­spro­ken.

De cura­tor vor­der­de het bij­ge­schre­ven bedrag terug, stel­len­de dat Rabo­bank dit op grond van art. 54 lid 1 Fw niet mocht ver­re­ke­nen. Rabo­bank ver­weer­de zich met het argu­ment dat zij zich per sal­do niet had bevoor­deeld, nu de kre­diet­ruim­te die door de NOW-beta­ling was ont­staan ver­vol­gens was aan­ge­wend om een beta­lings­op­dracht van de reke­ning­hou­der uit te voe­ren ten gunste van een ande­re schuld­ei­ser. Het gerechts­hof Arn­hem-Leeu­war­den volg­de deze rede­ne­ring en wees de vor­de­ring van de cura­tor af.

De sal­de­rings­leer

De sal­de­rings­leer houdt -kort gezegd- in dat het ver­re­ke­nings­ver­bod van art. 54 lid 1 Fw niet van toe­pas­sing is wan­neer een bank na het peil­mo­ment een inko­men­de beta­ling op de reke­ning van haar cli­ënt ont­vangt en uit de daar­door ont­sta­ne kre­diet­ruim­te ver­vol­gens uit­gaan­de beta­lings­op­drach­ten van de reke­ning­hou­der uit­voert. De gedach­te is dat de bank zich per sal­do niet bevoor­deelt ten opzich­te van ande­re schuld­ei­sers, omdat het geld dat bin­nen­komt ver­vol­gens weer wordt uit­be­taald aan een cre­di­teur van de reke­ning­hou­der. In die rede­ne­ring zou de bank slechts als door­geef­luik fun­ge­ren en geen voor­deel genie­ten, zodat art. 54 lid 1 Fw niet in de weg zou staan aan de ver­re­ke­ning.

De kern­vraag

Geldt het ver­re­ke­nings­ver­bod van art. 54 lid 1 Fw ook wan­neer de bank na het peil­mo­ment wel­is­waar een inko­men­de beta­ling cre­di­teert, maar ver­vol­gens uit de daar­door ont­sta­ne kre­diet­ruim­te ook uit­gaan­de beta­lin­gen van de reke­ning ver­richt? Mag de bank, met ande­re woor­den, de inko­men­de beta­ling sal­de­ren met het nieu­we debet?

Het wet­te­lijk kader

Art. 54 lid 1 Fw bepaalt dat dege­ne die een schuld aan of vor­de­ring op de gefail­leer­de vóór de fail­liet­ver­kla­ring van een der­de heeft over­ge­no­men, niet bevoegd is tot ver­re­ke­ning indien hij daar­bij niet te goe­der trouw heeft gehan­deld. De ratio is het bescher­men van de pari­tas cre­di­to­rum: het voor­ko­men van een onge­recht­vaar­dig­de door­bre­king van de gelijk­heid van schuld­ei­sers.[2]

Con­clu­sie A-G Snij­ders

Advo­caat-gene­raal Snij­ders advi­seer­de in zijn con­clu­sie van 19 sep­tem­ber 2025 de sal­de­rings­leer af te wij­zen.[3] Vol­gens de A-G is bevoor­de­ling van de bank geen ver­eis­te voor de toe­pas­sing van art. 54 lid 1 Fw; het enke­le door­bre­ken van de pari­tas cre­di­to­rum is beslis­send.[4] Het hof heeft dan ook ten onrech­te rele­vant geacht of de bank zich door de ver­re­ke­ning daad­wer­ke­lijk heeft bevoor­deeld.

Snij­ders onder­bouwt zijn stand­punt aan de hand van de wets­ge­schie­de­nis en kern­ar­res­ten als Amro Bank/THB[5], Loef­fen q.q./Bank Mees & Hope[6] en Euro­com­mer­ce[7]. De con­clu­sie strekt tot ver­nie­ti­ging.

Oor­deel Hoge Raad

De Hoge Raad volgt de A-G en ver­nie­tigt het arrest. De Hoge Raad her­haalt dat de cre­di­te­ring van een bank­re­ke­ning bij ont­vangst van een beta­ling voor de toe­pas­sing van art. 54 Fw wordt aan­ge­merkt als een schuld­over­ne­ming. Het gira­le beta­lings­ver­keer mag ban­ken geen uit­zon­de­rings­po­si­tie ver­schaf­fen. Op de kern­vraag over­weegt de Hoge Raad:

Er is geen aan­lei­ding om hier­op een uit­zon­de­ring te aan­vaar­den voor het geval dat de bank na dat peil­mo­ment uit­gaan­de beta­lin­gen van die reke­ning heeft ver­richt.[8]

Bete­ke­nis voor de prak­tijk

Dit arrest heeft drie belang­rij­ke prak­ti­sche con­se­quen­ties. Ten eer­ste kun­nen ban­ken er niet lan­ger op ver­trou­wen dat het uit­voe­ren van uit­gaan­de beta­lin­gen na het peil­mo­ment het ver­re­ke­nings­ver­bod neu­tra­li­seert. Ten twee­de zul­len ban­ken eer­der over­we­gen om reke­nin­gen te blok­ke­ren of kre­diet­fa­ci­li­tei­ten op te zeg­gen zodra het peil­mo­ment is bereikt, nu elke inko­men­de beta­ling door art. 54 lid 1 Fw wordt getrof­fen. Ten der­de beschik­ken cura­to­ren over een ster­ker instru­ment om het bedrag van inko­men­de beta­lin­gen die kort voor fail­lis­se­ment door de bank zijn ver­re­kend met het nega­tie­ve sal­do terug te vor­de­ren, ook wan­neer de bank uit de daar­door ont­sta­ne kre­diet­ruim­te nadien nog beta­lings­op­drach­ten van de reke­ning­hou­der heeft uit­ge­voerd.

Con­clu­sie

De Hoge Raad maakt defi­ni­tief een ein­de aan de sal­de­rings­leer. Art. 54 lid 1 Fw wordt strikt toe­ge­past: bevoor­de­ling is geen ver­eis­te, het bescher­men van de pari­tas cre­di­to­rum is het lei­den­de begin­sel. De uit­spraak biedt cura­to­ren dui­de­lijk­heid en noopt ban­ken tot her­nieuw­de bezin­ning op hun posi­tie bij het faci­li­te­ren van beta­lings­ver­keer in het zicht van fail­lis­se­ment.

[1] HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390.

[2] Par­ket bij de Hoge Raad 25 sep­tem­ber 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1012, 3.4.4.

[3] Par­ket bij de Hoge Raad 25 sep­tem­ber 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1012.

[4] Par­ket bij de Hoge Raad 25 sep­tem­ber 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1012. 3.7.

[5] HR 7 okto­ber 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC0457.

[6] HR 8 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0457.

[7] HR 23 novem­ber 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189.

[8] HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390, r.o. 3.6.