Tij­de­lij­ke beta­lings­uit­stel­wet 2020

Blog

Published 11 januari 2021 Reading time min Auteur Niels Elfe­rink Insolvency & Restructuring

Op 17 decem­ber 2020 is de Tij­de­lij­ke Wet COVID-19 SZW en VJ (‘Tij­de­lij­ke beta­lings­uit­stel­wet 2020’) in wer­king getre­den.[1] Deze wet beoogt bescher­ming te bie­den aan onder­ne­min­gen die hun bedrijfs­voe­ring niet zoals gebrui­ke­lijk heb­ben kun­nen voort­zet­ten door COVID-19 en daar­door in beta­lings­moei­lijk­he­den zijn geko­men. Onder­ne­min­gen kun­nen de recht­bank op grond van deze wet vra­gen om aan­hou­ding van de behan­de­ling van een jegens hen inge­dien­de fail­lis­se­ments­aan­vraag, met als gevolg dat -bij toe­wij­zing van dit ver­zoek- ten opzich­te van de aan­vra­ger van het fail­lis­se­ment een tij­de­lijk uit­stel van beta­ling wordt ver­leend. Tevens maakt deze wet het moge­lijk dat besla­gen wor­den opge­he­ven en dat de exe­cu­tie (of opei­sing) van goe­de­ren wordt geschorst. Deze maat­re­ge­len die­nen ter ver­lich­ting van de liqui­di­teits­pro­ble­men van de onder­ne­ming.[2]


Doel van de rege­ling
Het doel van de rege­ling is het voor­ko­men van fail­lis­se­men­ten van in de kern gezon­de onder­ne­min­gen die als gevolg van de corona­cri­sis in beta­lings­moei­lijk­he­den zijn komen te ver­ke­ren. Deze onder­ne­min­gen kun­nen op die manier wor­den behoed voor een (ver­mijd­baar) fail­lis­se­ment en ver­haals­ac­ties van schuld­ei­sers, waar­mee de eco­no­mi­sche scha­de door het coro­na­vi­rus zoveel moge­lijk beperkt blijft.[3]

 

Inhoud van de rege­ling
Een onder­ne­ming die gecon­fron­teerd wordt met een fail­lis­se­ments­aan­vraag kan de recht­bank ver­zoe­ken om de behan­de­ling daar­van voor ten hoog­ste twee maan­den aan te hou­den. Deze aan­hou­ding kan op ver­zoek van de onder­ne­ming maxi­maal twee keer met maxi­maal twee maan­den ver­lengd wor­den.

De recht­bank wijst een aan­hou­dings­ver­zoek toe als:

  • de onder­ne­ming sum­mier­lijk aan­ne­me­lijk heeft gemaakt dat hij ver­keert in de toe­stand waar­in hij uit­slui­tend of hoofd­za­ke­lijk als gevolg van de uit­braak van het COVID-19-virus zijn onder­ne­ming niet zoals gebrui­ke­lijk heeft kun­nen voort­zet­ten en daar­door niet in staat is om voort te gaan met het beta­len van zijn schul­den. Deze toe­stand wordt in ieder geval ver­moed aan­we­zig te zijn als de onder­ne­ming infor­ma­tie over­legt over zijn finan­ci­ë­le posi­tie waar­uit blijkt dat:
    • hij vóór de uit­braak van het COVID-19-virus of de beper­ken­de maat­re­ge­len die sinds 15 maart 2020 zijn afge­kon­digd, vol­doen­de liqui­de mid­de­len had om zijn opeis­ba­re schul­den te vol­doen en;
    • sinds de uit­braak van het COVID-19-virus of de afkon­di­ging van die maat­re­ge­len spra­ke is geweest van een omzet­ver­lies van ten min­ste 20% ten opzich­te van de gemid­del­de omzet in drie voor­gaan­de maan­den.
  • het voor­uit­zicht bestaat dat de onder­ne­ming na ver­loop van de ter­mijn van de aan­hou­ding zijn schuld­ei­sers zal kun­nen bevre­di­gen en;
  • de schuld­ei­ser of schuld­ei­sers door wie het fail­lis­se­ments­ver­zoek is inge­diend, met de aan­hou­ding niet wezen­lijk en onre­de­lijk in zijn of hun belan­gen wordt geschaad.

 

Gevol­gen van een toe­ge­we­zen aan­hou­dings­ver­zoek
Een aan­hou­ding heeft tot gevolg dat de onder­ne­ming gedu­ren­de die peri­o­de niet kan wor­den gedwon­gen tot beta­ling van schul­den aan de faillissementsaanvrager(s) die reeds voor de aan­hou­ding opeis­baar waren. Er is dus geen spra­ke van een alge­heel uit­stel van beta­ling tegen­over alle schuld­ei­sers en het uit­stel geldt even­min voor schul­den die nadien opeis­baar wor­den (al dan niet als gevolg van door de onder­ne­ming nieuw aan­ge­ga­ne ver­plich­tin­gen). Uit­stel van beta­ling ver­an­dert niets aan de rang­or­de van schuld­ei­sers. Indien de onder­ne­ming als­nog fail­liet gaat, behoudt de fail­lis­se­ments­aan­vra­ger zijn rang en wordt deze niet anders behan­deld.

 

Ove­ri­ge maat­re­ge­len
Omdat enkel de aan­hou­ding van de behan­de­ling van de fail­lis­se­ments­aan­vraag en uit­stel van beta­ling moge­lijk niet vol­doen­de zijn om de onder­ne­ming in staat te stel­len haar bedrijfs­voe­ring voort te zet­ten, zijn er nog ande­re voor­zie­nin­gen getrof­fen in de Tij­de­lij­ke beta­lings­uit­stel­wet 2020.

Zo is de niet-nako­ming van de beta­lings­ver­plich­tin­gen (reeds opeis­baar vóór de aan­hou­ding) voor de schuld­ei­ser -op zich­zelf- geen grond ver­bin­te­nis­sen of ver­plich­tin­gen jegens de onder­ne­ming te wij­zi­gen. Even­min is het hem in dat kader toe­ge­staan de nako­ming van een ver­bin­te­nis op te schor­ten of een met de onder­ne­ming geslo­ten over­een­komst te beëin­di­gen. Daar­naast kan de recht­bank op ver­zoek van de onder­ne­ming – in het geval het aan­hou­dings­ver­zoek wordt toe­ge­we­zen- bepa­len dat de faillissementsaanvrager(s) alleen met mach­ti­ging van de recht­bank ver­haal kan nemen op goe­de­ren van de onder­ne­ming of tot opei­sing kan over­gaan van de goe­de­ren die zich in de macht van de onder­ne­ming bevin­den (denk aan goe­de­ren die zijn gele­verd onder eigen­doms­voor­be­houd). Ook kun­nen besla­gen die gedu­ren­de de aan­hou­ding door de aanvrager(s) van het fail­lis­se­ment wor­den gelegd wor­den opge­he­ven. Voor­mel­de maat­re­ge­len gel­den allen gedu­ren­de de (ter­mijn van) aan­hou­ding en tegen beslis­sin­gen van de recht­bank in het kader van het boven­staan­de staan geen rechts­mid­de­len (zoals bij­voor­beeld hoger beroep) open.

Een laat­ste maat­re­gel betreft de moge­lijk­heid van de onder­ne­ming de voor­zie­nin­gen­rech­ter te ver­zoe­ken om exe­cu­tie van een zeker­heids­recht (tij­de­lijk) te schor­sen of besla­gen op te hef­fen. Naast het ver­eis­te dat dit nodig dient te zijn om de onder­ne­ming voort te kun­nen zet­ten, gel­den voor toe­wij­zing van dit ver­zoek dezelf­de voor­waar­den al die voor een ver­zoek tot aan­hou­ding van de behan­de­ling van de fail­lis­se­ments­aan­vraag, zoals hier­bo­ven uit­een­ge­zet.

Ove­ri­gens geldt de rege­ling niet als de Belas­ting­dienst een fail­lis­se­ments­aan­vraag doet of over­gaat tot ver­haals­ac­ties. De Belas­ting­dienst kent een eigen pak­ket aan maat­re­ge­len om onder­ne­min­gen uit­stel van beta­ling te ver­le­nen.

De Tij­de­lij­ke beta­lings­uit­stel­wet 2020 ver­valt in prin­ci­pe per 1 febru­a­ri 2021, maar kan steeds per twee maan­den bij konink­lijk besluit wor­den ver­lengd.

 

[1] Besluit van 8 decem­ber 2020 tot vast­stel­ling van het tijd­stip van inwer­king­tre­ding van Hoofd­stuk 2 van de Tij­de­lij­ke wet COVID-19 SZW en JenV, Staats­blad 2020-523, 8 decem­ber 2020

[2] Kamer­stuk­ken II, 35557, nr. 3, p. 5 (MvT)

[3] Kamer­stuk­ken II, 35557, nr. 3, p. 5 (MvT)