Blog
EY & HVG Law Nederland AIFMD-serie | Maart 2026
-
Introductie
Deze publicatie gaat in op de belangrijkste regels voor beheerders van beleggingsinstellingen die leningen initiëren[1] en leninginitiërende beleggingsinstellingen[2]. Verder bevat deze update regels omtrent onder andere het liquiditeitsbeheer, de rapportages en uitbesteding en grensoverschrijdende bewaardiensten voor beheerders.
De Europese Commissie heeft de AIFMD geëvalueerd en kwam tot de conclusie dat het noodzakelijk is om de regels voor beheerders van leninginitiërende beleggingsinstellingen te harmoniseren, de regels omtrent delegatie te verduidelijken en regels omtrent bewaarders en het gebruik van liquiditeitsinstrumenten te verbeteren en te vergemakkelijken. Inmiddels is de herziene versie van de AIFMD, de AIFMD II, op 15 april 2024 in werking getreden en dient de AIFMD II uiterlijk op 16 april 2026 door alle Europese lidstaten (en dus ook Nederland) in de nationale wetgeving te zijn geïmplementeerd.
Op 23 september 2025 is het wetsvoorstel “Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en ICBE-richtlijn” bij de Tweede Kamer ingediend en is deze op 3 oktober 2025 gepubliceerd. Het voorstel is op 26 februari 2026 door de Tweede Kamer als hamerstuk aangenomen en op 17 maart 2026 door de Eerste Kamer als hamerstuk aangenomen.
-
Belangrijkste wijzigingen
De meest in het oog springende wijziging betreft de (verdere) harmonisatie van de regels voor beheerders van beleggingsinstellingen die leningen initiëren en voor leninginitiërende beleggingsinstellingen. Zo dienen deze beleggingsinstellingen in beginsel closed-end te zijn en gelden er specifieke regels met betrekking tot hefboomlimieten. De implementatie van deze regels vereisen wijzigingen in de interne procedures, beleid en processen.
Verder bevat AIFMD II regels omtrent het liquiditeitsbeheer van beleggingsinstellingen en icbe’s. Een beheerder van een (semi) open-end beleggingsinstelling dient bijvoorbeeld te beschikken over ten minste twee liquiditeitsinstrumenten, welke opgenomen dienen te worden in de fondsreglementen of statuten.
Een laatste onderwerp dat wordt geregeld met de komst van AIFMD II betreft de regels omtrent grensoverschrijdende bewaardiensten. In AIFMD II is opgenomen dat de bevoegde toezichthouder onder bepaalde voorwaarden kan toestaan dat een bewaarder van een beleggingsinstelling gevestigd kan zijn in een andere lidstaat dan waar de (beheerder van de) beleggingsinstelling is gevestigd.
-
Wat zijn de aandachtspunten?
Hieronder geven we de belangrijkste aandachtspunten weer naar aanleiding van de inwerkingtreding / implementatie van AIFMD II.
Initiëren van leningen en leninginitiërende beleggingsinstellingen
In het wetsvoorstel zijn regels opgenomen voor het initiëren van leningen en voor leninginitiërende beleggingsinstellingen. De notionele waarde van de leningen die door een beleggingsinstelling aan één leningnemer wordt verstrekt, mag niet meer dan twintig procent van het kapitaal van de beleggingsinstelling bedragen wanneer de leningnemer een bank, beleggingsonderneming, beleggingsinstelling, icbe of verzekeraar is. Deze beleggingslimiet van twintig procent geldt onder andere niet wanneer de beheerder activa van de beleggingsinstelling verkoopt om de rechten van deelneming van beleggers terug te betalen in het kader van de liquidatie van de beleggingsinstelling. Verder dient de beheerder ervoor te zorgen dat de beleggingsinstelling vijf procent van de notionele waarde van elke lening behoudt. In bepaalde situaties (bijvoorbeeld in het geval een beheerder activa verkoopt in het kader van de liquidatie van de beleggingsinstelling) kan hiervan worden afgeweken. Voor leninginitiërende beleggingsinstellingen gelden daarnaast verschillende hefboomlimieten die variëren naargelang sprake is van een open-end beleggingsinstelling of closed-end beleggingsinstelling.
Beheer van liquiditeitsrisico’s
Een beheerder van een open-end beleggingsinstelling of icbe dient ten minste twee instrumenten voor liquiditeitsbeheer te kiezen uit de instrumenten zoals het opschorten van inschrijvingen, verlening van de kennisgevingstermijn, swing pricing, dubbele prijsstelling, antiverwateringsheffing en side pockets en dient de AFM hierover te informeren en deze in zijn reglement of statuten op te nemen. De beheerder van een open-end beleggingsinstelling of icbe dient een gedetailleerd beleid en procedures te hebben voor de activering en deactivering van een gekozen liquiditeitsinstrument. Ten slotte dient de beheerder te beschikken over operationele en administratieve regels voor het gebruik van de liquiditeitsinstrumenten.
Dagelijks beleidsbepalers
Voorgeschreven wordt dat het bestuur van een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling of icbe dient te bestaan uit ten minste twee bestuurders die voltijds (minimaal 36 uur per week) in dienst zijn bij de beheerder of uit ten minste twee bestuurders die zich voltijds inzetten voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beheerder. Deze bestuurders dienen te wonen in de Europese Unie.
Aanvullende regels voor uitbesteding
Met de inwerkingtreding van AIFMD II dient de beheerder naast de reeds op basis van de AIFMD bestaande informatievereisten aanvullende informatie over de (voorgenomen) uitbesteding aan de AFM te verstrekken. Beheerders dienen in aanvulling op de reeds bestaande informatievereisten, voor elke door hen beheerde beleggingsinstelling, informatie te verstrekken over het volgende:
- Voor elke gedelegeerde:
- zijn wettelijke benaming en relevante identificatiecode;
- zijn rechtsgebied van vestiging; en
- in voorkomend geval, zijn toezichthoudende autoriteit.
- Een gedetailleerde beschrijving van de personele en technische middelen die door de beheerder worden ingezet voor:
- het verrichten van dagelijkse portefeuillebeheertaken of risicobeheertaken binnen de abi-beheerder; en
- de monitoring van de gedelegeerde activiteit.
- In verband met elk van de beleggingsinstellingen ofwel icbe die de beheerder beheert of voornemens is te beheren:
- een korte beschrijving van de gedelegeerde portefeuillebeheertaak, waarbij wordt aangegeven of dergelijke delegatie een gedeeltelijke of volledige delegatie is; en
- een korte beschrijving van de gedelegeerde risicobeheertaak, waarbij wordt aangegeven of dergelijke delegatie een gedeeltelijke of volledige delegatie is.
- Een beschrijving van de periodieke due-diligencemaatregelen die de beheerder moet uitvoeren om toezicht te houden op de gedelegeerde activiteit.
Bovengenoemde informatie dient aan de bevoegde autoriteiten te worden meegedeeld in het kader van de toezichtrapportageregeling.
Grensoverschrijdende bewaardiensten
De AFM kan instemmen met het aanstellen van een bewaarder in een andere lidstaat indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo dient de bewaarder een vergunning te hebben om het bedrijf van een bank uit te oefenen. Daarnaast mag door beleggingsinstellingen die een vergunning hebben of geregistreerd staan in Nederland voor alle fondsen tezamen niet meer dan 50 miljard euro aan activa in bewaring worden gegeven. De AFM kan pas instemmen met het aanstellen van een bewaarder in een andere lidstaat indien de AFM heeft vastgesteld dat in Nederland geen relevante bewaardiensten worden verleend, rekening houdend met de beleggingsstrategie van de desbetreffende beleggingsinstelling.
Verbod leningverstrekking aan verbonden entiteiten
Ter voorkoming van belangenconflicten introduceert AIFMD II strikte beperkingen ten aanzien van het verstrekken van leningen aan verbonden entiteiten. Dit omvat medewerkers van de beheerder, de beheerder zelf, de bewaarder, entiteiten aan wie de bewaarder of beheerder taken heeft gedelegeerd en andere entiteiten binnen de groep van de beheerder. Het is raadzaam om de huidige portefeuille te screenen op mogelijke conflicterende belangen.
Rapportageverplichtingen
Beheerders van een icbe dienen – net als voor beheerders van beleggingsinstellingen nu al het geval is – informatie te verstrekken aan de AFM over onder andere de beheerde icbe’s, de financiële instrumenten waarin wordt gehandeld en het risicoprofiel van de icbe.
Verder breidt AIFMD II de verplichte informatieverstrekking aan beleggers uit en vereist onder andere dat beleggers periodiek worden geïnformeerd over alle vergoedingen, kosten en uitgaven die direct of indirect door beleggers zijn gedragen.
Lidstaatopties
Van de volgende lidstaatopties wordt gebruik gemaakt:
- Beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van een icbe met een vergunning kunnen worden toegestaan bepaalde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen. Het gaat om de volgende activiteiten en diensten:
- taken of activiteiten die door de beheerder worden verricht voor een door hem beheerde beleggingsinstelling respectievelijk icbe die samenhangen met de diensten die de beheerder overeenkomstig dit lid verleent (bijvoorbeeld IT-diensten voor portefeuillebeheer en risicobeheer) mits potentiële belangenconflicten die kunnen ontstaan door het verrichten van die taken en activiteiten voor derden op adequate wijze worden beheerst;
- het beheren van benchmarks; en
- het verrichten van een kredietservicingactiviteit.
Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt omdat dit meer mogelijkheden geeft aan beheerders om deze activiteiten, die nauw samenhangen met het beheren van beleggingsinstellingen en icbe’s, ook voor derden te verrichten.
- Lidstaten kunnen de bevoegde toezichthouder de mogelijkheid geven om op verzoek van een beheerder van een beleggingsinstelling in te stemmen met het aanstellen van een bewaarder met zetel in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de beleggingsinstelling. Van deze optie wordt gebruik gemaakt om de mogelijkheid open te houden hier gebruik van te maken als in de toekomst in Nederland een geval zou voorkomen dat er geen bewaarders zijn die op doeltreffende wijze kunnen voldoen aan de behoeften van de beleggingsinstelling rekening houdend met de beleggingsstrategie van de beleggingsinstelling.
Marketing van beleggingsinstellingen
Wanneer een niet-EU-AIFM een AIF in de EU aanbiedt, mag de betreffende AIF alleen in de EU worden aangeboden als de beheerder van de beleggingsinstelling en de beleggingsinstelling niet gevestigd zijn in landen die:
- door de EU zijn aangemerkt als hoogrisico derde landen onder Richtlijn (EU) 2015/849 (MLD4);
- vermeld staan in Bijlage I bij de conclusies van de Raad over niet-coöperatieve jurisdicties voor fiscale doeleinden; en
- een overeenkomst hebben ondertekend met de lidstaat waarin de beleggingsinstelling zal worden aangeboden, die voldoet aan de normen van artikel 26 van het OESO-modelverdrag inzake inkomsten en kapitaal.
Deze voorwaarden zijn uitgebreider dan de huidige voorwaarden voor marketing die voorschrijven dat het derde land waar de niet-EU beheerder of beleggingsinstelling is gevestigd niet als Non-Coöperatief Land is aangemerkt door de Financial Action Task Force.
-
Contact
Wilt u meer informatie over de wijze waarop wij u van dienst kunnen zijn? Neem dan contact op met onze specialisten van EY en HVG Law.
HVG Law
Michelle Stuivenberg | Manager | [email protected] | +31 6 3005 6775
Lisette van Slagmaat | Senior Consultant | [email protected] | +31 6 2908 3125
Fenne Broers | Consultant | [email protected] | +31 6 2125 2695
EY
Qiuling Tsar | Partner | [email protected] | +31 6 2125 1679
Mark van Impelen | Partner | [email protected] | +31 6 2908 3824
Bart Winter | Senior Manager | [email protected] | +31 6 2908 4040
Wim Weijgertze | Director | [email protected] +31 6 2908 3247
HVG Law B.V. has a strategic alliance with EY Belastingadviseurs B.V. (hereinafter referred to as “EY Tax”) and is part of the global EY Law network.
[1] In artikel 1:1 Wft wordt een nieuwe definitie opgenomen, in het kort: “het verstrekken van een lening ofwel rechtstreeks door een beleggingsinstelling ofwel indirect via een derde namens de (beheerder van de) beleggingsinstelling waarbij de (beheerder van de) beleggingsinstelling betrokken is bij het structureren van de lening.”
[2] In artikel 1:1 Wft wordt een nieuw definitie opgenomen: “een beleggingsinstelling waarvan de beleggingsstrategie voornamelijk bestaat uit het verstrekken van leningen of waarvan de verstrekte leningen een notionele waarde hebben die ten minste 50% van de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling vertegenwoordigt.”