Blog
Het Nederlandse bonusplafond voor financiële ondernemingen is al jaren onderwerp van discussie. In 2015 werd met de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen een bonusplafond van 20% ingevoerd dat gold voor alle natuurlijke personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een financiële onderneming. Nederland koos hiermee bewust voor een strenger regime dan de rest van de EU, waar het bonusplafond alleen van toepassing is op zogenaamde identified staff.
Die brede reikwijdte leidde al snel tot kritiek. De regels bleken in de praktijk moeilijk toe te passen op medewerkers wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming niet of nauwelijks beïnvloeden. Zo ontstond een discussie over de concurrentiepositie van Nederlandse financiële ondernemingen ten opzichte van hun Europese concurrenten.
Nu is de aanpassing een feit. De Eerste Kamer heeft op 19 mei 2026 ingestemd met de wijziging van het toepassingsbereik van het bonusplafond. Voortaan wordt het bonusplafond alleen nog toegepast op identified staff: natuurlijke personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van de financiële onderneming wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden. Voor de definitie wordt aangesloten bij artikel 92, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten (CRD). Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de rest van de EU.
Belangrijk is dat de hoogte van het bonusplafond ongewijzigd blijft. Het plafond van 20% blijft van toepassing op bestuurders van financiële ondernemingen. De wijziging betreft dus uitsluitend de reikwijdte: niet langer alle medewerkers, maar alleen degenen die het risicoprofiel wezenlijk beïnvloeden.
Chartaal betalingsverkeer
Naast de aanpassing van het bonusplafond is gelijktijdig de Wet chartaal betalingsverkeer aangenomen. De aanleiding voor deze wet is de geleidelijke afname van de beschikbaarheid van contant geld in Nederland. Banken bouwen al jaren hun fysieke dienstverlening af: geldautomaten verdwijnen, kantoren sluiten, en tarieven voor opnames en stortingen stijgen. Dit bedreigt de toegang tot contant geld voor burgers, met name voor kwetsbare groepen die moeite hebben met elektronisch betalen.
Tegelijkertijd vervult contant geld meerdere maatschappelijke functies: het biedt keuzevrijheid in het betalingsverkeer, het is inclusief voor groepen die digitaal minder vaardig zijn, en het fungeert als terugvaloptie bij grootschalige storingen van het girale betalingsverkeer.
De wetgever greep in om te voorkomen dat marktpartijen de chartale dienstverlening verder afbouwen. Het doel van de wet is de inrichting en bekostiging van de chartale keten zo te organiseren dat op de langere termijn een maatschappelijk gewenst niveau van chartale dienstverlening wordt aangeboden en dat contant geld als betaalmiddel bruikbaar blijft.
Wat verandert er concreet?
De wet verplicht de grootste Nederlandse banken om de chartale basisinfrastructuur in stand te houden. Dat zal naar verwachting de ING, Rabobank en ABN AMRO zijn, die gezamenlijk het landelijk dekkende geldautomatennetwerk Geldmaat exploiteren. Deze al bestaande samenwerking krijgt nu een wettelijke basis. Alle Nederlandse banken worden verplicht hun klanten in staat te stellen van die infrastructuur gebruik te maken, tegen gereguleerde tarieven en voorwaarden.
Voor particulieren wordt biljetopname en -storting gratis. Voor andere diensten gelden maximumtarieven. Middelgrote banken (waaronder naar verwachting de Volksbank, Bunq en Revolut) worden verplicht hun klanten toegang te bieden tot het storten en opnemen van contant geld via de chartale basisinfrastructuur. DNB houdt toezicht op de naleving en ziet erop toe dat aansluiting bij de infrastructuur plaatsvindt tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden.
Zo blijven de maatschappelijke functies van contant geld verzekerd en wordt invulling gegeven aan de verantwoordelijkheid van banken om de toegang tot het betalingsverkeer te borgen.