De onder­grens van de wer­kings­sfeer: wan­neer ben je géén werk­ge­ver in de zin van een ver­plicht­stel­lings­be­sluit?

Blog

Published 27 mei 2026 Reading time min Auteur Roland de Greef Labor & Employment | Pensioen- en levensverzekeringsrecht

Moet een groot­han­del die als bij­zaak bedrijfs­lo­gos op werk­kle­ding bor­durt, ver­plicht deel­ne­men bij een bedrijfs­tak­pen­si­oen­fonds voor de tex­tiel­in­du­strie (Bpf MITT)? Die vraag beant­woord­de de Hoge Raad op 22 mei 2026 (ECLI:NL:HR:2026:795) met een prin­ci­pi­eel arrest over de uit­leg van ver­plicht­stel­lings­be­slui­ten.

De zaak

Hazet, een groot­han­del in schoon­maak- en hygi­ë­ne­ar­ti­ke­len, bood haar klan­ten de moge­lijk­heid om werk­kle­ding te voor­zien van een bedrijfs­lo­go, gemid­deld goed voor 0,13% van de omzet. Bpf MITT stel­de dat Hazet daar­mee kle­ding “bewerkt tot een ge- of ver­bruiks­voor­werp” en dus een ver­plicht deel­ne­mer is in het bedrijfs­tak­pen­si­oen­fonds voor de Mode-, Inte­ri­eur-, Tapijt- en Tex­tiel­in­du­strie. Het Gerechts­hof ‘s-Her­to­gen­bosch vond dat ook Hazet onder de wer­kings­sfeer viel, maar dat het beroep van Bpf MITT op het ver­plicht­stel­lings­be­sluit naar maat­sta­ven van rede­lijk­heid en bil­lijk­heid onaan­vaard­baar was.

Het oor­deel van de Hoge Raad

De Hoge Raad ziet dit anders. Het ver­plicht­stel­lings­be­sluit van Bpf MITT kent geen expli­ciet hoofd­zaak­cri­te­ri­um, maar dat wil niet zeg­gen dat iede­re onder­ne­ming die ooit een kle­ding­stuk bewerkt, auto­ma­tisch onder de wer­kings­sfeer valt. Inte­gen­deel: de cao-norm – het stan­daard uit­leg­cri­te­ri­um voor ver­plicht­stel­lings­be­slui­ten – brengt mee dat de aan­ne­me­lijk­heid van de rechts­ge­vol­gen van een bepaal­de teks­tin­ter­pre­ta­tie een zelf­stan­di­ge rol speelt. Een uit­leg die geen enke­le onder­grens kent, leidt tot het onaan­ne­me­lij­ke gevolg dat onder­ne­min­gen die vrij­wel niets met de bedrijfs­tak te maken heb­ben tóch als ver­plicht deel­ne­mer wor­den aan­ge­merkt. De Hoge Raad for­mu­leert daar­om de vol­gen­de maat­staf: niet als werk­ge­ver in de zin van het ver­plicht­stel­lings­be­sluit kan wor­den aan­ge­merkt de onder­ne­ming die, in ver­hou­ding tot haar tota­le acti­vi­tei­ten, omzet, loon­som en/of arbeids­uren, slechts op ver­waar­loos­ba­re schaal acti­vi­tei­ten ver­richt zoals in het besluit omschre­ven.

Wat bete­kent dit in de prak­tijk?

De aan­ne­me­lijk­heid van de rechts­ge­vol­gen is voort­aan het pri­mai­re kader bij wer­kings­sfeer­dis­cus­sies, ook als de tekst van het ver­plicht­stel­lings­be­sluit zwijgt over een omvangs­drem­pel. De beper­ken­de wer­king van de rede­lijk­heid en bil­lijk­heid komt pas aan de orde als de ver­waar­loos­ba­re-schaal-toets niét in het voor­deel van de werk­ge­ver uit­pakt. De pre­cie­ze grens laat de Hoge Raad aan de fei­ten­rech­ter, zodat de uit­komst casu­ïs­tisch blijft. Werk­ge­vers die gecon­fron­teerd wor­den met een aan­slui­tings­claim van een bedrijfs­tak­pen­si­oen­fonds, doen er goed aan de ver­hou­ding tus­sen de bedrijfs­tak­ac­ti­vi­tei­ten en de tota­le onder­ne­mings­om­vang tij­dig goed in kaart te bren­gen.