Speel­ruim­te voor ont­slag na over­na­me: Hoge Raad schept hel­der­heid

Blog

Published 19 februari 2026 Reading time min Auteur Wil­le­mijn Jans­ma Labor & Employment

Werk­ne­mers wor­den bij een over­gang van onder­ne­ming beschermd tegen ont­slag wegens bedrijfs­eco­no­mi­sche rede­nen, maar deze bescher­ming is niet onbe­grensd. De Hoge Raad heeft in een uit­spraak van 6 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:204) ver­dui­de­lijkt onder wel­ke omstan­dig­he­den ont­slag na over­gang van onder­ne­ming moge­lijk is.

 

Over­gang van onder­ne­ming

Van over­gang van onder­ne­ming is spra­ke als een eco­no­mi­sche een­heid (zoals een onder­ne­ming, een zelf­stan­dig onder­deel daar­van of ves­ti­ging) over­gaat van de ver­vreem­der naar de ver­krij­ger, bij­voor­beeld door een ver­koop, fusie of split­sing. Beslis­send voor de vraag of spra­ke is van een over­gang van onder­ne­ming is of de onder­ne­ming na de over­gang haar iden­ti­teit heeft behou­den. Of daar­van spra­ke is, is in de prak­tijk niet altijd gemak­ke­lijk te bepa­len en moet wor­den beoor­deeld aan de hand van de fac­to­ren die door het Hof van Jus­ti­tie uit­een­ge­zet zijn in het beken­de Spij­kers-arrest. Dat de iden­ti­teit behou­den blijft, kan bij­voor­beeld blij­ken uit het feit dat de nieu­we onder­ne­mer de bedrijfs­ac­ti­vi­tei­ten met dezelf­de acti­va en het­zelf­de per­so­neel op gelij­ke wij­ze voort­zet voor dezelf­de klan­ten.

 

Ont­slag­be­scher­ming na over­gang van onder­ne­ming

Als spra­ke is van over­gang van onder­ne­ming, dan wor­den de werk­ne­mers van die onder­ne­ming op ver­schil­len­de manie­ren beschermd. De rech­ten en ver­plich­tin­gen uit de arbeids­over­een­kom­sten die op het moment van de over­gang bij de ver­vreem­der bestaan, gaan van rechts­we­ge over op de ver­krij­ger. Dat bete­kent dat de werk­ne­mers auto­ma­tisch in dienst tre­den bij de ver­krij­ger, met behoud van hun arbeids­voor­waar­den.

Aan deze auto­ma­ti­sche over­gang zou­den de werk­ne­mers wei­nig heb­ben, als ze ver­vol­gens gemak­ke­lijk zou­den kun­nen wor­den ont­sla­gen door de ver­krij­ger. Of als de ver­vreem­der de werk­ne­mer mak­ke­lijk zou kun­nen ont­slaan voor­af­gaand aan de ver­koop, zodat hij zijn onder­ne­ming in afge­slank­te vorm of zon­der werk­ne­mers kan ver­ko­pen. Om der­ge­lij­ke situ­a­ties te voor­ko­men, geldt voor zowel de ver­vreem­der (voor­af­gaand aan de over­gang van onder­ne­ming) als voor de ver­krij­ger (na over­gang van onder­ne­ming) een ont­slag­ver­bod wegens de over­gang van onder­ne­ming. Een opzeg­ging in strijd met dit opzeg­ver­bod is ver­nie­tig­baar.

 

Waar gaat de uit­spraak van de Hoge Raad over?

Werk­neem­ster is sinds 1994 in dienst bij een super­markt. Lopen­de het dienst­ver­band is de arbeids­om­gang terug­ge­bracht naar voor 8 uur per week en is haar func­tie per­so­neels­ver­ant­woor­de­lij­ke (P&O) gewor­den. In de prak­tijk bete­ken­de dit dat zij onder­steu­nen­de werk­zaam­he­den ver­richt­te op het gebied van ver­zuim­re­gi­stra­tie en con­tract­huis­hou­ding. In mei 2023 is aan de werk­ne­mer mede­ge­deeld dat zij van rechts­we­ge in dienst is getre­den bij een ande­re fran­chi­se­ne­mer als gevolg van over­gang van onder­ne­ming.

De nieu­we werk­ge­ver beschikt over een ser­vi­ce­kan­toor waar de HR-taken voor al haar super­mark­ten cen­traal wor­den ver­richt. Daar­om con­clu­deert de nieu­we werk­ge­ver dat de func­tie van werk­neem­ster bin­nen zijn orga­ni­sa­tie­struc­tuur niet inpas­baar en over­bo­dig is. De werk­ge­ver pro­beert de werk­neem­ster te her­plaat­sen, maar door haar beperk­te beschik­baar­heid (uren­om­vang) luk­te dat niet. Uit­ein­de­lijk ver­zoekt de nieu­we werk­ge­ver het UWV om een ont­slag­ver­gun­ning van­we­ge bedrijfs­eco­no­mi­sche rede­nen. Deze wordt door het UWV gewei­gerd. De werk­ge­ver dient ver­vol­gens een ver­zoek tot ont­bin­ding van de arbeids­over­een­komst in bij de kan­ton­rech­ter. De kan­ton­rech­ter wijst het ver­zoek toe.

Werk­neem­ster laat het er niet bij zit­ten en gaat in hoger beroep. Daar betoogt ze dat het opzeg­ver­bod wegens over­gang van onder­ne­ming aan haar ont­slag in de weg staat. Ze ver­zoekt om her­stel van de arbeids­over­een­komst. Het Gerechts­hof geeft de nieu­we werk­ge­ver ook gelijk, waar­na de werk­neem­ster cas­sa­tie bij de Hoge Raad instelt.

 

ETO-rede­nen

Het ont­slag­ver­bod van­we­ge over­gang van onder­ne­ming kan opzij wor­den gezet als de nieu­we werk­ge­ver in de situ­a­tie na de over­gang besluit tot aan­pas­sing van zijn orga­ni­sa­tie op grond van zoge­naam­de ETO-rede­nen. Dat zijn eco­no­mi­sche, tech­ni­sche en orga­ni­sa­to­ri­sche rede­nen die wij­zi­gin­gen voor de werk­ge­le­gen­heid met zich mee­bren­gen.

De Hoge Raad merkt in dit kader, in lijn met een uit­spraak van het Hof van Jus­ti­tie, op dat het moet gaan om ETO- rede­nen die geen intrin­siek ver­band hou­den met de over­gang van onder­ne­ming, maar ver­dui­de­lijkt dat dit niet bete­kent dat er geen enkel ver­band mag bestaan tus­sen de over­gang van onder­ne­ming en de aan het ont­slag ten grond­slag geleg­de ETO-rede­nen. Naast de belan­gen van de werk­ne­mers, moet ook reke­ning gehou­den wor­den met de belan­gen van de ver­krij­ger. De ver­krij­ger moet aan­pas­sin­gen kun­nen door­voe­ren die nodig zijn voor voort­zet­ting van de onder­ne­ming.

 

Oor­deel Hoge Raad

Vol­gens de Hoge Raad heeft het Gerechts­hof op juis­te wij­ze onder­zocht of een intrin­siek ver­band tus­sen de aan­ge­voer­de bedrijfs­eco­no­mi­sche rede­nen en de over­gang van onder­ne­ming ont­brak. De Hoge Raad volg­de de over­we­ging van het Gerechts­hof dat naar­ma­te een reor­ga­ni­sa­tie snel­ler na de over­gang plaats­vindt, de werk­ge­ver beter moet kun­nen uit­leg­gen waar­om het ont­slag niet met die over­gang samen­hangt. In dit geval had de nieu­we werk­ge­ver toe­ge­licht dat de func­tie van per­so­neels­ver­ant­woor­de­lij­ke niet voor­kwam bij ande­re door de werk­ge­ver geëx­ploi­teer­de super­mark­ten, dat de func­tie niet bin­nen het sys­teem van de exploi­ta­tie pas­te en dat de nieu­we werk­ge­ver de admi­ni­stra­tie van per­so­neels­ge­ge­vens cen­traal wil­de rege­len. Op basis daar­van sloot de Hoge Raad zich aan het oor­deel van het Gerechts­hof dat de werk­ge­ver vol­doen­de aan­ne­me­lijk had gemaakt dat aan het ont­slag de beslis­sing om de werk­zaam­he­den anders te orga­ni­se­ren ten grond­slag lag, en dus niet de over­gang van onder­ne­ming als zoda­nig. Het cas­sa­tie­be­roep van de werk­neem­ster slaag­de daar­om niet.

 

Kort­om

De uit­spraak van de Hoge Raad maakt dui­de­lijk dat de ont­slag­be­scher­ming bij over­gang van onder­ne­ming niet abso­luut is. Ont­slag na over­gang van onder­ne­ming wegens bedrijfs­eco­no­mi­sche rede­nen is moge­lijk in geval van legi­tie­me ETO- rede­nen die geen intrin­siek ver­band hou­den met de over­gang. Let op: hoe kor­ter na de over­gang het ont­slag plaats­vindt, hoe beter de werk­ge­ver moet kun­nen onder­bou­wen dat er geen ver­band met de over­gang van onder­ne­ming is.

In lijn daar­mee toets het UWV bij een ont­slag­aan­vraag van­we­ge bedrijfs­eco­no­mi­sche rede­nen of de aan­ge­voer­de rede­nen ook zelf­stan­dig, dus los van een even­tu­e­le over­gang van onder­ne­ming, een rede­lij­ke grond voor ont­slag vor­men (zie ook de Uitvoeringsregels wegens bedrijfseconomisch ontslag).

 

Deze blog is ook ver­sche­nen op HR Prakrijk en CHRO.