Blog
Op 18 maart 2025 wees het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een belangwekkend arrest over de inningsbevoegdheid van de pandhouder (gepubliceerd op 11 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1553). De kernvraag was of een pandhouder bevoegd is om met een debiteur van de inmiddels gefailleerde pandgever een schikking te treffen.
Inningsbevoegdheid van de pandhouder
Bij verpanding van een vordering speelt de inningsbevoegdheid een centrale rol. Artikel 3:246 lid 1 BW bepaalt dat de pandhouder -na mededeling van het pandrecht aan de debiteur- bevoegd is tot het vorderen van nakoming en tot inning van de verpande vordering. Wanneer de vordering nog niet opeisbaar is, is de pandhouder op grond van lid 2 eveneens bevoegd tot opzegging van de vordering, indien de vordering door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden.
De Hoge Raad oordeelde in de arresten IAE/Neo River (ECLI:NL:HR:2014:415) en Megalim/Veenbloem (ECLI:NL:HR:2016:2833) eerder al dat een pandhouder na mededeling uitsluitend beschikt over innings- en opzeggingsbevoegdheden. Andere bevoegdheden, zoals kwijtschelding of het sluiten van een schikking, blijven bij de pandgever. Wel is een pandhouder als uitvloeisel van zijn inningsbevoegdheid bevoegd om het faillissement van de debiteur aan te vragen.
Contractuele grondslag van de schikkingsbevoegdheid
ING poogde in deze zaak het hof te overtuigen door een beroep te doen op contractuele afspraken tussen haar en de gefailleerde pandgever. Die zouden ING de bevoegdheid geven om in relatie tot het pandrecht rechtshandelingen namens de pandgever te verrichten, waaronder dus ook een schikkingsbevoegdheid. Deze schikkingsbevoegdheid zou daarmee volgens ING onderdeel van het goederenrechtelijke (pand)recht zijn. Het hof wees dit standpunt af. Volgens het hof gaat het om een contractuele regeling, geen goederenrechtelijke. Zelfs als men het als een goederenrechtelijke uitbreiding zou willen zien, is dat in strijd met het gesloten stelsel van het goederenrecht. Partijen kunnen immers niet buiten de wet om een nieuwe goederenrechtelijke bevoegdheid creëren. Het hof verwijst voor zijn motivering onder andere naar voornoemde arresten IAE/Neo River en Megalim/Veenbloem. Het hof kwalificeerde de contractuele regeling ook als een bevoegdheid van de ING om namens de pandgever rechtshandelingen te verrichten. Een dergelijke bevoegdheid eindigt evenwel in geval van faillissement, waardoor ING hier geen beroep meer op kon doen (artikel 7:424 / 7:422 BW).
Vervolg in cassatie
Het arrest van het hof legt duidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de pandhouder en bevestigt het belang van het gesloten goederenrechtelijke stelsel. Toch is het laatste woord daarover nog niet gesproken: op 18 juni 2025 is cassatieberoep ingesteld. Het is nu aan de Hoge Raad om te beslissen of zij haar eerdere standpunt, zoals neergelegd in de arresten IAE/Neo River en Megalim/Veenbloem, zal handhaven.Tot die tijd kunnen een pandhouder en een debiteur van een failliete onderneming niet zonder toestemming van de curator een schikking treffen.