Innings­be­voegd­heid van de pand­hou­der: arrest Gerechts­hof Arn­hem-Leeu­war­den

Blog

Published 28 augustus 2025 Reading time min Auteur Mayk Koria Insolvency & Restructuring

Op 18 maart 2025 wees het Gerechts­hof Arn­hem-Leeu­war­den een belang­wek­kend arrest over de innings­be­voegd­heid van de pand­hou­der (gepu­bli­ceerd op 11 augus­tus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1553). De kern­vraag was of een pand­hou­der bevoegd is om met een debi­teur van de inmid­dels gefail­leer­de pand­ge­ver een schik­king te tref­fen.

 

Innings­be­voegd­heid van de pand­hou­der

Bij ver­pan­ding van een vor­de­ring speelt de innings­be­voegd­heid een cen­tra­le rol. Arti­kel 3:246 lid 1 BW bepaalt dat de pand­hou­der -na mede­de­ling van het pand­recht aan de debi­teur- bevoegd is tot het vor­de­ren van nako­ming en tot inning van de ver­pan­de vor­de­ring. Wan­neer de vor­de­ring nog niet opeis­baar is, is de pand­hou­der op grond van lid 2 even­eens bevoegd tot opzeg­ging van de vor­de­ring, indien de vor­de­ring door opzeg­ging opeis­baar gemaakt kan wor­den.
De Hoge Raad oor­deel­de in de arres­ten IAE/Neo River (ECLI:NL:HR:2014:415) en Megalim/Veenbloem (ECLI:NL:HR:2016:2833) eer­der al dat een pand­hou­der na mede­de­ling uit­slui­tend beschikt over innings- en opzeg­gings­be­voegd­he­den. Ande­re bevoegd­he­den, zoals kwijt­schel­ding of het slui­ten van een schik­king, blij­ven bij de pand­ge­ver. Wel is een pand­hou­der als uit­vloei­sel van zijn innings­be­voegd­heid bevoegd om het fail­lis­se­ment van de debi­teur aan te vra­gen.

 

Con­trac­tu­e­le grond­slag van de schik­kings­be­voegd­heid

ING poog­de in deze zaak het hof te over­tui­gen door een beroep te doen op con­trac­tu­e­le afspra­ken tus­sen haar en de gefail­leer­de pand­ge­ver. Die zou­den ING de bevoegd­heid geven om in rela­tie tot het pand­recht rechts­han­de­lin­gen namens de pand­ge­ver te ver­rich­ten, waar­on­der dus ook een schik­kings­be­voegd­heid. Deze schik­kings­be­voegd­heid zou daar­mee vol­gens ING onder­deel van het goe­de­ren­rech­te­lij­ke (pand)recht zijn. Het hof wees dit stand­punt af. Vol­gens het hof gaat het om een con­trac­tu­e­le rege­ling, geen goe­de­ren­rech­te­lij­ke. Zelfs als men het als een goe­de­ren­rech­te­lij­ke uit­brei­ding zou wil­len zien, is dat in strijd met het geslo­ten stel­sel van het goe­de­ren­recht. Par­tij­en kun­nen immers niet bui­ten de wet om een nieu­we goe­de­ren­rech­te­lij­ke bevoegd­heid cre­ë­ren. Het hof ver­wijst voor zijn moti­ve­ring onder ande­re naar voor­noem­de arres­ten IAE/Neo River en Megalim/Veenbloem. Het hof kwa­li­fi­ceer­de de con­trac­tu­e­le rege­ling ook als een bevoegd­heid van de ING om namens de pand­ge­ver rechts­han­de­lin­gen te ver­rich­ten. Een der­ge­lij­ke bevoegd­heid ein­digt even­wel in geval van fail­lis­se­ment, waar­door ING hier geen beroep meer op kon doen (arti­kel 7:424 / 7:422 BW).

 

Ver­volg in cas­sa­tie

Het arrest van het hof legt dui­de­lij­ke gren­zen aan de bevoegd­he­den van de pand­hou­der en beves­tigt het belang van het geslo­ten goe­de­ren­rech­te­lij­ke stel­sel. Toch is het laat­ste woord daar­over nog niet gespro­ken: op 18 juni 2025 is cas­sa­tie­be­roep inge­steld. Het is nu aan de Hoge Raad om te beslis­sen of zij haar eer­de­re stand­punt, zoals neer­ge­legd in de arres­ten IAE/Neo River en Megalim/Veenbloem, zal handhaven.Tot die tijd kun­nen een pand­hou­der en een debi­teur van een fail­lie­te onder­ne­ming niet zon­der toe­stem­ming van de cura­tor een schik­king tref­fen.