Wet­te­lij­ke ren­te en wet­te­lij­ke ver­ho­ging in fail­lis­se­ment: boe­del­schul­den

Blog

Published 19 maart 2026 Reading time min Auteur Lean­ne Boers Insolvency & Restructuring

Op 13 febru­a­ri 2026 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:239) uit­spraak gedaan over de vraag of wet­te­lij­ke ren­te en wet­te­lij­ke ver­ho­ging over te laat betaald loon na datum fail­lis­se­ment boe­del­schul­den zijn.

Waar gaat deze uit­spraak over?

De recht­bank Lim­burg leg­de pre­ju­di­ci­ë­le vra­gen voor aan de Hoge Raad over een veel­voor­ko­men­de situ­a­tie in fail­lis­se­ment: werk­ne­mers van een fail­lie­te werk­ge­ver ont­van­gen hun loon na de fail­lis­se­ments­da­tum niet meer. Het UWV neemt de loon­ver­plich­ting van de fail­lie­te werk­ge­ver over (de loonga­ran­tie­re­ge­ling), maar die beta­ling komt vaak te laat. De kern­vraag is: heeft de werk­ne­mer in zo’n geval recht op wet­te­lij­ke ren­te en wet­te­lij­ke ver­ho­ging, en zo ja, wat is de rang­or­de van deze vor­de­rin­gen in het fail­lis­se­ment?

Het uit­gangs­punt: fail­lis­se­ment ver­an­dert de arbeids­over­een­komst niet

De Hoge Raad stelt voor­op dat een fail­lis­se­ment op zich­zelf geen wij­zi­ging brengt in de ver­plich­tin­gen uit een lopen­de arbeids­over­een­komst. De cura­tor kan een arbeids­over­een­komst opzeg­gen met een opzeg­ter­mijn van zes weken. De cura­tor treedt in de schoe­nen van de werk­ge­ver en moet het loon blij­ven beta­len, tot­dat de arbeids­over­een­komst is geëin­digd. Loon dat ver­schul­digd is na de fail­lis­se­ments­da­tum is daar­om een boe­del­schuld op grond van arti­kel 40 lid 2 Fail­lis­se­ments­wet.

 Wet­te­lij­ke ren­te

Als dit loon niet op tijd wordt betaald, ont­staat ver­zuim. In dat geval is de werk­ge­ver – en dus de boe­del – wet­te­lij­ke ren­te ver­schul­digd. In lijn met het in 2021 gewe­zen arrest PaperlinX, oor­deelt de Hoge Raad dat deze wet­te­lij­ke ren­te over te laat betaald loon na datum fail­lis­se­ment kwa­li­fi­ceert als boe­del­schuld. Of spra­ke is van ver­zuim, moet wor­den beoor­deeld op basis van de arbeids­over­een­komst en de wet­te­lij­ke regels over ver­zuim. Hoe­wel in een fail­lis­se­ment bij­na altijd spra­ke is van een gebrek aan geld­mid­de­len, levert dat geen over­macht voor de fail­lie­te werk­ge­ver op. Dat een werk­ne­mer aan­spraak kan maken op de beta­ling van dit loon tegen­over het UWV, maakt dit ook niet anders. De fail­lie­te werk­ge­ver blijft ver­plicht om het loon tij­dig te beta­len.

Wet­te­lij­ke ver­ho­ging

Naast de wet­te­lij­ke ren­te, heeft een werk­ne­mer op grond van arti­kel 7:625 BW recht op een wet­te­lij­ke ver­ho­ging als het loon niet uiter­lijk op de der­de werk­dag na de dag waar­op het loon had moe­ten wor­den betaald, is ont­van­gen en het niet beta­len van het loon aan de werk­ge­ver is toe te reke­nen. Ook in fail­lis­se­ment kan een werk­ne­mer aan­spraak maken op deze wet­te­lij­ke ver­ho­ging die kan oplo­pen tot maxi­maal 50% van het ver­schul­dig­de loon. Beta­lings­on­macht van de werk­ge­ver of de aan­spraak op een beta­ling van het UWV, maakt dat vol­gens de Hoge Raad niet anders. Wel kan de rech­ter de wet­te­lij­ke ver­ho­ging mati­gen. Ook deze wet­te­lij­ke ver­ho­ging over te laat betaald loon na datum fail­lis­se­ment is een boe­del­schuld.

Geen opschor­ting

Belang­rijk is dat de cura­tor de loon­be­ta­ling en de beta­ling van de wet­te­lij­ke ver­ho­ging niet mag opschor­ten met een beroep op de loonga­ran­tie­re­ge­ling van het UWV. De cura­tor weet immers aan wie het loon betaald moet wor­den, aldus de Hoge Raad.

Rang­or­de: ver­schil tus­sen ren­te en ver­ho­ging

De Hoge Raad maakt een belang­rijk onder­scheid in de rang­or­de van bei­de vor­de­rin­gen. De wet­te­lij­ke ver­ho­ging valt, net als het loon zelf, onder het loon­voor­recht van arti­kel 3:288 sub e BW en is daar­mee een pre­fe­ren­te boe­del­schuld. De wet­te­lij­ke ren­te daar­en­te­gen valt niet onder dit voor­recht en is dus een con­cur­ren­te boe­del­schuld.

Infor­ma­tie­plicht voor cura­to­ren

De Hoge Raad geeft ten slot­te een prak­ti­sche aan­wij­zing voor cura­to­ren. Hoe­wel er geen expli­cie­te wet­te­lij­ke plicht is om werk­ne­mers actief te infor­me­ren over hun aan­spra­ken, kan een behoor­lij­ke taak­uit­oe­fe­ning mee­bren­gen dat de cura­tor werk­ne­mers wijst op hun even­tu­e­le recht op wet­te­lij­ke ren­te en wet­te­lij­ke ver­ho­ging. Dit geldt in het bij­zon­der als de cura­tor weet of moet weten dat de werk­ne­mers hier zelf niet van op de hoog­te zijn. Het is aan te beve­len dit op te nemen in de brief waar­in de arbeids­over­een­komst wordt opge­zegd.

Con­clu­sie

Met deze uit­spraak beves­tigt de Hoge Raad dat een fail­lis­se­ment geen uit­zon­de­ring vormt op de regels van tij­di­ge loon­be­ta­ling. Werk­ne­mers behou­den hun recht op wet­te­lij­ke ren­te en wet­te­lij­ke ver­ho­ging als het loon te laat wordt betaald, ook wan­neer zij aan­spraak kun­nen maken op de loonga­ran­tie­re­ge­ling. Bei­de vor­de­rin­gen, voor zover zij zien op te laat betaald loon na datum fail­lis­se­ment, kwa­li­fi­ce­ren als boe­del­schuld, waar­bij de wet­te­lij­ke ver­ho­ging een pre­fe­ren­te en de wet­te­lij­ke ren­te een con­cur­ren­te boe­del­schuld is.