WHOA: de 20% regel voor klei­ne bedrij­ven en de beper­king van de voor­rangs­po­si­tie van zeker­heids­ge­rech­tig­den

De Wet Homologatie Onderhands Akkoord

Blog

Published 20 oktober 2020 Reading time min Auteur Robin de Wit Insolvency & Restructuring

In diver­se blogs infor­me­ren wij u over een aan­tal aspec­ten van de wet homo­lo­ga­tie onder­hands akkoord (de WHOA). Op 1 janu­a­ri 2021 treedt deze wet in wer­king. In deze blog staan wij stil bij de diver­se amen­de­men­ten die op het laat­ste moment voor wat wij­zin­gen van de WHOA heb­ben gezorgd ter ver­ster­king van de posi­tie van klei­ne schuld­ei­sers. Dit betreft de 20% regel voor klei­ne bedrij­ven en de beper­king van de voor­rangs­po­si­tie van zeker­heids­ge­rech­tig­den.

 

20% regel voor klei­ne schuld­ei­sers

De eer­ste wij­zi­ging heeft als doel­stel­ling het ver­ster­ken van de posi­tie van de (klei­ne­re) MKB schuld­ei­sers (klei­ne schuld­ei­sers). Deze mini­mum­be­scher­ming houdt in dat deze groep klei­ne schuld­ei­sers in begin­sel mini­maal 20% van hun vor­de­ring vol­daan moe­ten krij­gen, ten­zij er zwaar­we­gen­de gron­den zijn om dit niet te doen (de 20% regel). Een klei­ne schuld­ei­ser is een schuld­ei­ser waar vijf­tig of min­der per­so­nen werk­zaam zijn of die vol­doet aan de ver­eis­ten van art. 2:395a BW (micro­be­drijf) of art. 2:396 BW (klein­be­drijf). Een onder­ne­ming kwa­li­fi­ceert als micro- of klein­be­drijf indien op twee opeen­vol­gen­de balans­da­ta wordt vol­daan aan ten­min­ste twee van de drie onder­staan­de ver­eis­ten:

  • net­to-omzet bedraagt per jaar min­der dan € 12.000.000,-
  • balans­to­taal bedraagt min­der dan € 6.000.000,-
  • min­der dan 50 werk­ne­mers

Indien de klei­ne schuld­ei­sers niet instem­men met een aan­bod van min­der dan 20%, dan zal de rech­ter de zwaar­we­gen­de gron­den om af te wij­ken van de 20% regel toet­sen. Als de rech­ter de aan­ge­voer­de gron­den onvol­doen­de acht om af te wij­ken van de 20% regel, zal deze het akkoord niet goed­keu­ren.

De 20% regel ziet niet op:

  • par­tij­en die vor­de­rin­gen heb­ben opge­kocht voor min­der dan 20% van de waar­de
  • finan­ciers met een ach­ter­ge­stel­de lening zon­der zeker­he­den
  • rechts­per­so­nen bin­nen de groep die onder­ling finan­cie­rin­gen ver­strek­ken
  • aan­deel­hou­ders die ook een con­cur­ren­te vor­de­ring heb­ben op de schul­de­naar
  • obli­ga­tie­hou­ders; en
  • con­su­men­ten

Ove­ri­gens zal het voor schul­de­na­ren die een akkoord onder de WHOA wil­len aan­bie­den en daar­in de klei­ne schuld­ei­sers wil­len betrek­ken, nog een hele klus zijn om na te gaan of haar schuld­ei­sers kwa­li­fi­ce­ren als klei­ne schuld­ei­sers.

 

Voor­rang voor zeker­heids­ge­rech­tig­den beperkt tot liqui­da­tie­waar­de

De twee­de wij­zi­ging regelt dat schuld­ei­sers met een pand- of hypo­theek­recht slechts voor het deel dat hun vor­de­ring gedekt is door zeker­he­den in een apar­te klas­se wor­den inge­deeld. Voor het ove­ri­ge deel van hun vor­de­ring wor­den deze schuld­ei­sers inge­deeld in een klas­se van schuld­ei­sers zon­der voor­rang. Voor de waar­de­ring van de zeker­he­den moet aan­ge­slo­ten wor­den bij de waar­de die in geval van fail­lis­se­ment de sepa­ra­tist zou ont­van­gen (de liqui­da­tie­waar­de). Schuld­ei­sers met een zeker­heids­recht, zo is de gedach­te, die­nen niet het alleen­recht op het zoge­he­ten ‘going con­cern sur­plus’ – de meer­waar­de die behaald wordt door de reor­ga­ni­sa­tie­pro­ce­du­re – te heb­ben.

 

Geen ‘Cash-Exit’ voor zeker­heids­ge­rech­tig­den

Een akkoord onder de WHOA kan op vele manie­ren rech­ten van schuld­ei­sers aan­pas­sen. Een beta­lings­ter­mijn kan wor­den uit­ge­steld maar beta­ling zou ook in alter­na­tie­ve vorm, bij­voor­beeld in aan­de­len kun­nen plaats­vin­den. Schuld­ei­sers die dit niet wil­len, heb­ben het recht om een uit­ke­ring in geld ter hoog­te van het bedrag dat zij in geval van fail­lis­se­ment zou­den ont­van­gen te ver­lan­gen. Voor gese­cu­reer­de finan­ciers, is op deze regel een uit­zon­de­ring gemaakt. Deze heb­ben niet het recht om een uit­ke­ring in con­tan­ten te eisen. Wel dient aan deze schuld­ei­sers, indien deze niet instem­men met een aan­bod om de schuld om te zet­ten in aan­de­len, een alter­na­tief te wor­den gebo­den. Gedacht kan wor­den aan het aan­pas­sen van de voor­waar­den van de finan­cie­ring (voor het gese­cu­reer­de deel) in het voor­deel van de schul­de­naar.