HVG Logo

Ontwikkelingen t.a.v. cliëntenraden in de zorg, meer vragen dan antwoorden

Op 27 december 2017 heeft toenmalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (hierna: “Wmcz 2018) ingediend bij de Tweede Kamer. Aanleiding van het wetsvoorstel is onder andere een door de Erasmus School of Health Policy & Management uitgevoerd onderzoek over medezeggenschap. Het wetsvoorstel belandde in een stroomversnelling nadat de Hoge Raad oordeelde dat de huidige Wmcz niet goed aansluit op de daarbij behorende wetsgeschiedenis. Het wetsvoorstel beoogt hier verandering in te brengen en daarnaast – kort gezegd – de positie van cliëntenraden te verstevigen ten opzichte van zorginstellingen. Wij zijn echter van mening dat de Wmcz 2018 in haar huidige vorm hier niet in slaagt.

De Wmcz 2018 brengt rechtsonzekerheid voor zorginstellingen teweeg. Dit terwijl het doel van het wetsvoorstel juist is de medezeggenschap van cliënten te verduidelijken en verstevigen.

De Wmcz 2018 verplicht in beginsel elk organisatorisch verband waarbij in de regel meer dan tien natuurlijke personen (dus ook parttimers) zorg verlenen, een cliëntenraad in te stellen. Zo’n organisatorisch verband wordt “instelling” genoemd. Ook zullen privaat gefinancierde zorginstellingen onder de Wmcz 2018 gaan vallen, terwijl de Wmcz nu alleen op collectief gefinancierde zorg van toepassing is. Eén van de onderdelen van de Wmcz 2018 die de rechtsonzekerheid veroorzaakt is de mogelijkheid om bepaalde typen instellingen uit te zonderen via een algemene maatregel van bestuur (hierna: “Amvb”). In de zorg wordt veelvuldig gebruik gemaakt van uitwerkingen in lagere regelgeving, waarbij de kwaliteit en duidelijkheid van de regelingen meer dan eens te wensen over laat. Dit leidt tot veelvuldige discussies over hoe een zorginstelling gekwalificeerd moet worden. Daarmee doet het gebruik van Amvb’s af aan de democratische legitimiteit. Immers, de regering kan de betekenis van de wet zonder toetsing door de Eerste en Tweede Kamer uithollen of juist vergroten. Over dit punt zijn door verschillende Kamerleden tijdens het debat op 12 september jl. ook vragen gesteld aan Minister Bruins van Medische Zorg. De Minister heeft toen aangegeven één categorie al bij Amvb uit te willen zonderen, namelijk de rechtspersonen waarin medisch specialisten zich organiseren (de MSB’s).

Nog een voorbeeld van rechtsonzekerheid: in de Wmcz 2018 is opgenomen dat bij instellingen waarin cliënten in de regel langer verblijven dan 6 maanden of thuiszorg (doen) verlenen, een “representatief” te achten delegatie van cliënten het bestuur kan verzoeken om een extra cliëntenraad in te stellen. De verplichting om dit verzoek in te willigen bestaat “indien dit gelet op de locaties waar de zorg wordt verleend of de verschillende cliëntgroepen waaraan de zorg wordt verleend redelijkerwijs van haar kan worden verlangd”. Als het bestuur kan uitleggen dat honorering van een dergelijk verzoek niet van haar kan worden verlangd, hoeft zij niet aan het verzoek tegemoet te komen. De bewijslast hiervoor ligt volgens de Minister bij de zorgaanbieder. Bij onenigheid is het aan de commissie van vertrouwenslieden om te bemiddelen danwel een uitspraak te doen. Op deze manier kan er dus discussie ontstaan over het instellen van een cliëntenraad. Het blijft aldus onduidelijk wanneer er nu precies wel of geen extra cliëntenraad verplicht is. Gelet op het doel van de wetgever een gemiste kans!

Conclusie
Samenvattend betekent de Wmcz 2018 in haar huidige vorm een verslechtering van de effectiviteit van de medezeggenschap bij zorginstellingen. Oplossingen zijn:

1) de uitzonderingen bij wet en niet bij Amvb te regelen;
2) de gehanteerde definities in de Wmcz 2018 duidelijk uit te werken en
3) helderheid te bieden over wanneer een extra cliëntenraad ingesteld dient te worden, inclusief het inbouwen van een ‘escape’ voor een zorginstelling indien het niet lukt de extra cliëntenraad vol te krijgen.

Het wetsvoorstel is nog in behandeling bij de Tweede Kamer, hoe het wetsvoorstel er in definitieve vorm uit zal zien laat dus nog op zich wachten. Wij hopen in ieder geval op meer duidelijkheid!

Mocht u hierover vragen hebben, neem dan contact met ons op.

 


Contactpersonen:

mevr. mr. T. van den Berg
T: +31 88 407 0344

mevr. mr. A.A.B. Kok
T: +31 88 407 0303